![]() |
![]() |
![]() |
![]() |
![]() |
![]() |
|||||||
![]() |
||||
Het begon allemaal in 1977. Ik ging zestien worden. Tot dan toe had mijn leven alleen maar uit paarden en wedstrijdrijder bestaan. Het leven van de Gerritsen van Printhagen stond al drie generaties lang in het teken van de paarden en ook ik zou kost wat kost aan de lijn die mijn overgrootvader als eerste aanzetten, een nieuw stukje bijzetten. Ik hield van paarden. Ik speelde graag met hun. Alléén… voor spelen was er weinig tot bijna geen tijd. Na schooltijd werd er getraind tot laat in de avond voor de wedstrijden in het weekend. Er werd van mij verwacht dat ik de eer van de familie hoog hield en dat ik elke zondag tenminste met één trofee naar huis kwam. Aan die familiewens was ik erg trouw. Ik ben geboren onder het sterrenbeeld van de stier en lustgevoelens waren mij niet vreemd. Al heel jong speelde ik met jongens. In de paardenwereld had ik zowat zitten snoepen maar in die weide was ik uitgegraasd. Dus ging ik op zoek naar een nieuwe. Niet ver van huis, maar toch eentje met een hele andere grassoort. Via mijn beste vriendin kwam ik terecht in het jeugdatelier van Kortessem. Volgens haar liep daar een knappe zwarte krullenbol rond met een joods mutsje op en die zou mij zeker aanstaan. En of ze gelijk had. Nu, 32 jaar verder op 17 augustus 2009 vieren we onze 25 ste huwelijksverjaardag. In het jeugdatelier kwam ik in een wereld terecht die mij helemaal vreemd was. Een wereld waar er geen strenge trainingen waren, geen competitie. Een wereld waar je mocht spelen. Spelen met je lichaam door te dansen, spelen met woorden door te improviseren. Spelen met klei door te boetseren en te pottenbakken. Het kind in mij kreeg eindelijk “speeltijd”. Er werden geen trofeeën meer mee naar huis gebracht. De liefde die ik nodig had hoefde ik niet meer te kopen. De lijn die voor mij uitgezet werd zag er plots uit als een dode weg. Het leven dat mijn vader voor mij uitgestippeld had werd voor hem een droom van bedrog en uit frustratie werden alle paarden verkocht. Tussen ons werd een deur dichtgegooid. De paarden waren voor mijn moeder nooit een droom geweest. Voor haar moest ik vooral studeren. Iets wat zij nooit gekund had. Zij kwam uit een boerenfamilie. Koeien melken en daarna een dagtaak in de fabriek doen, dat was het leven dat zij kende. Een leven dat ze voor mij niet wou. Zij droomde een universitair diploma voor mij. Ik studeerde toen wetenschappen en alle wegen lagen voor mij open. Toen echter de tijd aankwam om mijn hogere studie aan te vatten had het vuur van de houtoven die wij gebruikte om onze potten te bakken mij helemaal in vervoering gebracht en ik besloot dat vuur meer lucht te geven. Dus trok ik naar Gent en schreef me in het Sint-Lucas instituut in. De vier jaar die ik in Gent studeerde zijn de fijnste tijden van mijn leven geweest. Niet omdat ik op kot zat of kon genieten van het studentenleven want financieel hadden mijn ouders mij bijna volledig aan mijn lot overgelaten. Maar omdat ik helemaal in mijn element zat. En toen ik afstudeerde was ik helemaal klaar voor een leven als pottenbakster. Ik trouwde met die zwarte krullenbol, integreerde me terug in Limburg door een opleiding schilderkunst te volgen in de Academie voor schone kunsten te Hasselt. Zeven jaar schilderde ik, draaide potten, bekers, tassen, kommen, schalen. Ik wilde mijn inkomsten volledig halen uit mijn werk. Om dit te kunnen moest ik veel bestellingen aannemen. En de tijd om vrij te spelen werd ieder jaar minder en minder. Het vuur in mij doofde uit. Ik voelde mij als een prostitué die de liefde bedreef zonder gevoel, inspiratie. De wil van de klant was de wet en het geld telde. Uitgeblust gooide ik het kind met het badwater weg en verkocht al mijn atelierspullen. Ik doolde rond. Werkte een jaar als buschauffeur bij de Lijn. Behaalde mijn brevetten van rijschool instructrice en ging aan de slag als docent verkeerswetgeving in de rijschool. Dat deed ik toen omdat ik geen job meer wou waar ik iets van mij moest inleggen. Wetgeving was wetgeving en daar viel niet mee te spelen. Ook al kreeg ik kinderen er viel niets te spelen. Ik nam mijn moederschap heel ernstig, wilde mijn kinderen zelf opvoeden en vooral niet de kopie van mijn ouders worden. Door het krijgen van mijn kinderen leerde ik een vroedvrouw kennen die voor mij de moeder was waar ik van droomde. Een moeder die mij niet in de steek liet. Ze inspireerde mij en in 1997 besloot ik in haar voetsporen te treden. Ik schreef mij in, in het provinciaal hoger instituut voor vroedvrouwen en behaalde in 1999 mijn diploma. Na mijn afstuderen begon ik vol vuur aan het verder trekken van de levenslijn van het leven van Ma Croux, zo was ze bij de moeders gekend. Vierentwintig uur op vierentwintig uur stond ik ten dienste van het nieuwe leven dat zich een weg zocht naar de aarde. Honderden kinderen hielp ik geboren worden maar dat ene kind wat geboren was als de dochter van Roger van Lowieke van Printhagen en ik met het badwater had weggegooid, daar keek in niet naar om. Door mijn werk kwam ik allerlei boeiende mensen tegen. Eén van hen was Geertrui Baeyens en via Geertrui leerde ik Poustinia kennen. Vanaf dat moment werd ik een ajuin waarvan ik altijd het gevoel heb gehad dat Huguette de kern al zag en die we op mijn tempo laagje per laagje zorgzaam zijn beginnen afpellen.
Bij de ene laag kocht ik een nieuwe pottenbakkersschijf. Bij de volgende zocht ik een plaats om te werken. Bij nog een ander ontdekte ik dat vierentwintig uur op vierentwintig uur bereikbaar zijn, mij uitbluste en dat mijn vroedvrouwen vuur lucht nodig had. Op dat moment kwamen de paarden terug in mijn leven. Al pellend kwam ik erachter dat zij mij niet alléén de lucht geven die ik nodig had maar ook de draad die mij met mijn familie verbind en dat ik met die draad nu mijn eigen breiwerk moet maken. In het pellen waren we zo ver dat ik elementen terug in het zicht gebracht had. Maar er was nog geen vuur zichtbaar voor de keramiek. Er werd wel wat aangekabbeld maar het oude gekende vuur was er nog niet. Daarvoor moest Joop Cromvoets in mijn leven verschijnen. Ik kwam via Frans Gregoor in contact met Joop. Hij reikte mij met zijn demonstratie dag rond het thema theepotten draaien een lucifer aan. Via het draaien van een theepot kon ik vorm geven aan dat wij mij innerlijk bezig hield. Kon ik afscheid nemen van de prostitutie en elk potje zijn eigen dekseltje geven. Kon ik het kind laten spelen en het trots laten thuiskomen met de trofeeën die het voor zichzelf gemaakt had. Trofeeën waar er geen liefde mee gekocht werd. Maar trofeeën die er gekomen waren omdat ik ingezien had dat er ook een moeder in mij leefde. En dat zij nu de taak op zich kon nemen om te zorgen voor het kind dat zich zo vaak in de steek gelaten gevoeld had. Dat zo vaak voor andere gezorgd had. Dat kind kon ik nu in de auto zetten en naar het atelier brengen. En nu…elke dinsdag en donderdag om één uur in de namiddag roep ik het (als het al niet ongeduldig aan mijn rok zit te trekken), zet het naast me in de auto en zeg: schatje, kom ik breng je naar het atelier, dan kun je fijn spelen. En mijn schatje neemt haar koffer vol met materiaal, springt in de auto en als ze langs mij op de bank zit, lacht ze naar mij gelijk alleen kinderen maar kunnen lachen.
En mijn schatje speelt, maakt een winkeltje “potsanddops”. Een winkeltje waar mensen haar theepotjes kunnen kopen of waar ze een theepotje met vrienden of vriendinnen ruilt. Maar omdat een theepot ook gemaakt is om te schenken. Heeft mijn schatje besloten om de waarde die haar theepotten hebben voor een gedeelte te delen met andere mensen die zij een warm hart toedraagt. Mensen die zoals Modest, Huguette en Willem een wereld van verschil maken.
|
||||