![]() |
![]() |
![]() |
![]() |
![]() |
![]() |
|||||||
![]() |
|
![]() |
||
OPROEP VAN PETER PAN AAN DE KINDEREN. Ik stel mij even voor. Ik ben Peter Pan. Misschien heb je wel al van mij gehoord en heb je mij al wel eens gezien. Ik hou van avonturen en ik heb ook wel eens rare kuren. Als ik mij omdraai zie ik mijn schaduw die mij probeert in te halen. Ik loop met lichte stap. Zo kan ik mij vrijer bewegen. Ik leef zowel overdag als s’nachts, want ik verzamel dromen. Dagdromen. Nachtdromen. Je kan vóór het slapengaan het venster een beetje openlaten dan glip ik binnen, en overdag kan je mij altijd even wenken. Dan kom ik meteen want ik beweeg me razendsnel. Af en toe bezorg ik ook droombrieven. Vergeet ze niet te lezen. Hier op de site kan je mij ook je dromen en avonturen vertellen. Want er valt op deze aarde nog zoveel te leren. Dus kijk goed rond. Er is veel te zien en te beleven. En dromen houden van alles. Ze zijn niet als mensen die het ene bijhouden en het andere weggooien. Je kan in je dromen alles kwijt. Daarom hou ik zo van dromen. Heb jij ook een droom? Of een avontuur om met mij te delen? Ik ben je vriend en reis overal met je mee. Zoals in het volgend gedicht zo mooi beschreven staat. Een vriend is iemand die om je geeft.... |
|
PETER PAN EN DE KROKUSVROUWTJES De tuin ontwaakt nog maar net uit een lange winterslaap, als in de zoete warmte van het middaguur, lange slierten kraanvogels zich een weg door de wolken snijden. Hun schrille roep doet de ezels wild over de weide rennen en hier en daar vliegt een vogel geschrokken weg. In zijn uit wilgentakken gevlochten bed veert ook Peter Pan plots recht. Hij strekt zijn stijve armen en benen en stelt met verbazing vast dat hij weer eens is weggedompeld na een stevig ontbijt van eikelcacaopap. Hij wrijft met zijn lange vingers de laatste restjes winter uit zijn ogen en springt daarna vederlicht uit zijn bed. Hij doet zijn herteleren jas aan, zet zijn fluwelen muts op en verlaat zijn woonstede onder de grond via een wenteltrapje, dat zich om de wortels van een lindeboom slingert. Als hij door het houten luik eindelijk zijn hoofd boven de grond steekt ruikt hij met vreugde de lente in de lucht. Hij krijgt kriebels in zijn buik en rent een paar keer uitgelaten over de vele tuinpaden. Tot hij plots oog in oog staat met Martha, de moederhaas. Ze is druk in de weer met sokjes breien van restjes wol die ze tijdens de lange winter heeft gesponnen. Peter Pan ziet haar dikke opgezette buik en zegt tegen haar: ’Je hebt haast, moeder, worden je kleintjes binnenkort geboren?” “Jazeker”, zegt ze. “En weet je, ik moet nog zoveel en dit in de Paastijd, nu zoveel kinderen wachten op mijn bezoek.” “ Maak je maar geen zorgen, moedertje, ik zorg er wel voor dat je helpers krijgt”, zegt Peter Pan om haar gerust te stellen. Hij groet haar en vervolgt zijn weg. Wat verderop zitten de krokusvrouwtjes in een kring met elkaar thee te drinken. Ze praten er lustig op los en vertellen elkaar wat ze zo tijdens de winter onder de grond allemaal meemaakten. Ze zijn prachtig gekleed. Hun satijnen kleedjes in paarse, gele, roze tinten lijken wel doorschijnend in de scherpe voorjaarszon. Peter Pan gaat tussen hen inzitten en wordt meteen verwend met maanzaadkoekjes en rozebottelthee die hij met blijjheid in het hart aanneemt. “Wat is het toch goed om zoveel vrienden te hebben”, denkt hij. Hij vertelt hen ook over de moederhaas die hij juist ontmoet heeft.
De krokusvrouwtjes overleggen met elkaar. De oudste verdwijnt even uit de kring en verschijnt even later met een mandje vol bontgekleurde lintjes. Ze zet het in het midden van de kring, begint met een schaar de lintjes te knippen zodat elk krokusvrouwtje van elke kleur wat nemen kan. Ze beginnen allemaal mooie strikjes te knopen en terwijl ze hun gezellige middagbabbel voortzetten werken ze naarstig voort. Peter Pan begrijpt eerst niet goed waaarvoor deze strikjes moeten dienen. Maar als hij ernaar vraagt krijgt hij te horen dat ze weten dat de moederhaas tijdens de winter uit lorketakjes kleine mandjes heeft gevlochten om aan de kinderen uit te delen. Ze zou het vast wel leuk vinden als de mandjes elk een aardige strik krijgen, waaraan de naamkaartjes van de kinderen gehangen worden. Na een tijdje zijn ze klaar en Peter Pan krijgt het mandje met de vele strikjes erin mee om het met hun groeten naar de moederhaas te brengen. Zijn hart vult zich met warmte, want hij vindt het zalig om een ander een plezier te doen. Hij dankt hen allen en rent over het grote brede pad naar de moederhaas, die echter niet meer aan haar voordeur zit. Hij klopt voorzichtig aan, aarzelt even en gaat naar binnen. Eerst moet hij zich langs een groot hol voorzichtig naar beneden laten glijden en met een dreun beland hij in het grote gezellige hol van de moederhaas. Hij ziet haar steunen tegen de tafel en diep ademen. Hij begrijpt dat haar tijd gekomen is en dat de kleintjes de komende uren geboren zullen worden.
“Zo moeder”, zegt hij, “dit is even snel gegaan”. ”Ik denk dat het door de kraanvogels komt, Peter Pan”, antwoordt ze. “Ze zetten door hun luid gekrijs van alles in gang. De lente is dan niet meer tegen te houden. Mijn buik weet dat heel goed en ik moet mij eraan overgeven. Dan is het ook voor de kleintjes gemakkelijker.” Ze ziet plots het mandje met de strikjes en ze lacht ondanks de weeën, die steeds sterker worden. “Dat is heel leuk en dat spaart me heel wat tijd! Dit jaar geef ik elk kind een mandje met bloemenzaadjes zodat ze zelf kunnen kweken en voelen hoe de natuur te werk gaat. En tussen de zaadjes zal ik een paasbroodje in de vorm van een klein haasje leggen. Maar nu moet ik de eerste dagen alleen aan mijn kleintjes denken. Laat me nu maar alleen, Peter Pan, dan kan ik mij helemaal aan het baren overgeven”. Peter Pan wenst haar veel kracht toe en belooft dat hij de kleintjes zal komen groeten als alles achter de rug is. Eenmaal weer boven de grond, slaakt hij een diepe zucht en hij zingt een lied , een lied over de lente:
lente, lente wek in mij. het leven, dat diep in mij. mij herinnert wie ik ben, kind van de zon en van de sterren, zoon van de aarde, en de maan, met haar eb en vloed, lente, lente, herinner mij , wie ik ben helper en diener; op de juiste tijd. |
|